TROUW Letter & Geest, zat. 2 dec. 2006
door Peter de Boer
Rien Vroegindeweij maakt eenvoudige gedichten over herkenbare zaken. Over Rotterdam, wachten voor het stoplicht, een crematie, de tandarts. Maar banaal is zijn poëzie niet.
In een van de gedichten uit ’Gemengde berichten’ schrijft Rien Vroegindeweij zichzelf een ’tik van de taal’ toe. Daarmee zegt hij weinig nieuws, want elke serieuze dichter is een obsessieve taalgek. Wijlen Hendrik van Teylingen sprak in dit verband van zijn ’dichtspier’, en de ouden van hun ’dichtader’. Dichters zijn net mensen, echter met één gek orgaantje erbij dat ze dwangmatig tot het schrijven van gedichten aanzet.
Het bijzondere van Vroegindeweij’s omschrijving is echter dat zelfs een poëtische analfabeet er nog de onderliggende uitdrukking ’een tik van de molen’ in herkent en zo op het juiste betekenisspoor wordt gezet. Met één simpele handgreep – ’molen’ eruit, ’taal’ erin – bereikt de dichter zo een poëtisch effect dat in potentie door vrijwel iedereen begrepen of nagevoeld kan worden.
En dat is precies waar zijn poëzie, ook in deze nieuwe bundel, telkens op mikt: eenvoud, verstaanbaarheid, communicatie, maar zó dat het ’eenvoudige’ gedicht voldoende poëtische lading krijgt om bestaansrecht te hebben. De praattoon en het veelvuldig gebruik van monologen en spreektaal sluiten hier nauw op aan. Zo houdt in ’Afdeling Martha’ een door een beroerte getroffen man de moed erin door te blijven hopen ’op de goede afloop ik denk nog een week / of twee drie misschien ik loop alweer / van hier naar daar ik ga mijn gang tot dan’. Simpel, spreektalig en doeltreffend, vooral ook door die dubbelzinnige slotregel.
Waar brengen deze gemengde berichten ons zoal? Bij een crematorium bijvoorbeeld (’Wij zijn bijeen voor wie ontbreekt’), of bij een man die hele gesprekken voert met de foto’s van zijn overleden vrouw: ,,Maar als ik vraag en antwoord geef / is het een gesprek. Dat breekt de dag.’’ Bij ontroerende alledaagsheden, kortom, die heel herkenbaar zijn maar waarvoor je niet eens zo makkelijk de woorden vindt.
En vandaar verplaatst de dichter zich opeens naar de Kunsthal van Rem Koolhaas, waarvan het architectonisch ’concept’ door kenners overvloedig is gelauwerd, terwijl oudere bezoekers er intussen over talloze drempels en trappen hun benen breken. Droog commentaar van Vroegindeweij: ,,de kans dat je er als invalide uitkomt / is vele male groter / dan dat je er als invalide inkomt’’.
Maar zo gemengd is deze bundel niet eens. De tweede afdeling, ’Rotterdamse elegie’, is een tragikomische achtdelige monoloog over Rotterdam, waar de dichter sinds 1962 onafgebroken woont. Een ’bikkelharde stad ja / met z’n havens, z’n rechtdoorzee’ en met ’al die doden in de chemische gemeente’, waaraan hij niettemin (’wel gelachen altijd’) zijn hart heeft verpand.
De derde afdeling is een nogal gedragen evocatie van de watersnoodramp uit 1953, gezien door de niet-begrijpende ogen van een jongetje van een jaar of acht, waarin Vroegindeweij zijn eigen jeugdervaringen (hij woonde ten tijde van de ramp met zijn ouders op Goeree Overflakkee) ook zeker zal hebben verwerkt. In de laatste afdeling wordt op datzelfde landschap van zijn jeugd nog eens vanuit het heden teruggekeken.
Al met al dus een vrij samenhangende bundel, met gedichten die zelden groots of vernieuwend zijn, maar ook nooit naar een bedenkelijk niveau afzakken. Bij alle, ook emotionele herkenbaarheid (’als het zo wankelt in je hart dat je jankt’) zet hij toch vaak nog een extra stap naar het suggestieve. Zo wordt een treinreis per intercity een positief geladen verbond tussen passagiers: ,,We zijn nu samen tussen steden / delen snelheid en verlangen / naar een plaats van bestemming / en zwijgen, zwijgen voor het onverwachte’’.
Ook het kadergedicht ’Stilleven’ maakt van het iedereen wel bekende, irritante wachten bij tandarts, stoplichten, enzovoorts, een soort geestelijke ’reis’ naar donkere dingen en zelfs ’het vormloze’, wat je van een anekdotische, vrij traditionele dichter toch niet onmiddellijk zou verwachten. Maar de ’tik van de taal’ kan zulke wonderlijk gemengde berichten hoog boven hun aanleiding doen uitstijgen. En dan heb je poëzie.
Stilleven
Als je moet wachten – er zijn zoveel kamers
het huis van god de praktijk van de tandarts
luchthavens bruggen stoplichten
neem de tijd om de donkere dingen te bekijken
vlekken rare hoeken vreemde constructies
kleuren die een schilder nooit zou gebruiken
en hoed je voor het voltooide geef je over
aan het vormloze – je moet toch wachten.
Rien Vroegindeweij: Gemengde berichten. Nieuw Amsterdam Uitgevers. ISBN 9046801624; 56 blz. € 14,90
© Peter de Boer
Rien Vroegindeweij maakt eenvoudige gedichten over herkenbare zaken. Over Rotterdam, wachten voor het stoplicht, een crematie, de tandarts. Maar banaal is zijn poëzie niet.
In een van de gedichten uit ’Gemengde berichten’ schrijft Rien Vroegindeweij zichzelf een ’tik van de taal’ toe. Daarmee zegt hij weinig nieuws, want elke serieuze dichter is een obsessieve taalgek. Wijlen Hendrik van Teylingen sprak in dit verband van zijn ’dichtspier’, en de ouden van hun ’dichtader’. Dichters zijn net mensen, echter met één gek orgaantje erbij dat ze dwangmatig tot het schrijven van gedichten aanzet.
Het bijzondere van Vroegindeweij’s omschrijving is echter dat zelfs een poëtische analfabeet er nog de onderliggende uitdrukking ’een tik van de molen’ in herkent en zo op het juiste betekenisspoor wordt gezet. Met één simpele handgreep – ’molen’ eruit, ’taal’ erin – bereikt de dichter zo een poëtisch effect dat in potentie door vrijwel iedereen begrepen of nagevoeld kan worden.
En dat is precies waar zijn poëzie, ook in deze nieuwe bundel, telkens op mikt: eenvoud, verstaanbaarheid, communicatie, maar zó dat het ’eenvoudige’ gedicht voldoende poëtische lading krijgt om bestaansrecht te hebben. De praattoon en het veelvuldig gebruik van monologen en spreektaal sluiten hier nauw op aan. Zo houdt in ’Afdeling Martha’ een door een beroerte getroffen man de moed erin door te blijven hopen ’op de goede afloop ik denk nog een week / of twee drie misschien ik loop alweer / van hier naar daar ik ga mijn gang tot dan’. Simpel, spreektalig en doeltreffend, vooral ook door die dubbelzinnige slotregel.
Waar brengen deze gemengde berichten ons zoal? Bij een crematorium bijvoorbeeld (’Wij zijn bijeen voor wie ontbreekt’), of bij een man die hele gesprekken voert met de foto’s van zijn overleden vrouw: ,,Maar als ik vraag en antwoord geef / is het een gesprek. Dat breekt de dag.’’ Bij ontroerende alledaagsheden, kortom, die heel herkenbaar zijn maar waarvoor je niet eens zo makkelijk de woorden vindt.
En vandaar verplaatst de dichter zich opeens naar de Kunsthal van Rem Koolhaas, waarvan het architectonisch ’concept’ door kenners overvloedig is gelauwerd, terwijl oudere bezoekers er intussen over talloze drempels en trappen hun benen breken. Droog commentaar van Vroegindeweij: ,,de kans dat je er als invalide uitkomt / is vele male groter / dan dat je er als invalide inkomt’’.
Maar zo gemengd is deze bundel niet eens. De tweede afdeling, ’Rotterdamse elegie’, is een tragikomische achtdelige monoloog over Rotterdam, waar de dichter sinds 1962 onafgebroken woont. Een ’bikkelharde stad ja / met z’n havens, z’n rechtdoorzee’ en met ’al die doden in de chemische gemeente’, waaraan hij niettemin (’wel gelachen altijd’) zijn hart heeft verpand.
De derde afdeling is een nogal gedragen evocatie van de watersnoodramp uit 1953, gezien door de niet-begrijpende ogen van een jongetje van een jaar of acht, waarin Vroegindeweij zijn eigen jeugdervaringen (hij woonde ten tijde van de ramp met zijn ouders op Goeree Overflakkee) ook zeker zal hebben verwerkt. In de laatste afdeling wordt op datzelfde landschap van zijn jeugd nog eens vanuit het heden teruggekeken.
Al met al dus een vrij samenhangende bundel, met gedichten die zelden groots of vernieuwend zijn, maar ook nooit naar een bedenkelijk niveau afzakken. Bij alle, ook emotionele herkenbaarheid (’als het zo wankelt in je hart dat je jankt’) zet hij toch vaak nog een extra stap naar het suggestieve. Zo wordt een treinreis per intercity een positief geladen verbond tussen passagiers: ,,We zijn nu samen tussen steden / delen snelheid en verlangen / naar een plaats van bestemming / en zwijgen, zwijgen voor het onverwachte’’.
Ook het kadergedicht ’Stilleven’ maakt van het iedereen wel bekende, irritante wachten bij tandarts, stoplichten, enzovoorts, een soort geestelijke ’reis’ naar donkere dingen en zelfs ’het vormloze’, wat je van een anekdotische, vrij traditionele dichter toch niet onmiddellijk zou verwachten. Maar de ’tik van de taal’ kan zulke wonderlijk gemengde berichten hoog boven hun aanleiding doen uitstijgen. En dan heb je poëzie.
Stilleven
Als je moet wachten – er zijn zoveel kamers
het huis van god de praktijk van de tandarts
luchthavens bruggen stoplichten
neem de tijd om de donkere dingen te bekijken
vlekken rare hoeken vreemde constructies
kleuren die een schilder nooit zou gebruiken
en hoed je voor het voltooide geef je over
aan het vormloze – je moet toch wachten.
Rien Vroegindeweij: Gemengde berichten. Nieuw Amsterdam Uitgevers. ISBN 9046801624; 56 blz. € 14,90
© Peter de Boer
